home | projecten | lezingen | bureau | contact |
Vorige | | Volgende

Levende erven!
Essay over de transformatie van de 26.000 boerenerven in Overijssel, voor Atelier Overijssel, 2007

Boerenerven zijn een belangrijk onderdeel van het landschap. De transformatie van deze erven is geen bedreiging voor het landschap, maar een potentieel sterke kracht, die benut kan worden voor de versterking van kwaliteit, vitaliteit en duurzaamheid van het landelijke gebied.
Omvang erftransformaties
'In de jaren vijftig en zestig vond in Nederland een revolutie plaats met enorme maatschappelijke en ruimtelijke gevolgen: de modernisering van de landbouw. Een deel van de samenleving dat bij uitstek traditioneel was geweest, moest razendsnel moderniseren. Tractoren en melkmachines rukten op en grootscheepse herverkavelingen veranderden het landschap. Het was allemaal gunstig voor de sterken, terwijl het voor de minder sterken niet zelden het einde betekende. Boeren moesten superboeren worden, of vertrekken naar landen waar nog ruimte was, zoals Canada of Australië. De landbouwgrond van de vertrekkers werd gekocht door de boeren die wel doorgingen, maar duizenden - vooral kleinere - boerderijen verloren hun functie als bedrijfsgebouw. Vaak bleef de boer er met zijn vrouw de oude dag slijten, in andere gevallen - of na het vertrek van de oude bewoners - werden boerderijen opgekocht om een andere bestemming te krijgen. Maar in de loop van de tijd werden er ook duizenden afgebroken.'

Boerenerven
In Nederland daalde het aantal agrarische bedrijven van 410.000 in 1950 met 75% tot bijna 100.000 in 2000 . De afname van het aantal boerenbedrijven heeft zich na de jaren 50/60 onverminderd doorgezet. Elk jaar, tot op de dag van vandaag, stoppen jaarlijks gemiddeld 3% van de boeren . Dit proces vindt ook in Overijssel plaats. Samen met de Dienst Landelijk Gebied [DLG] heeft het Atelier een inventarisatie gemaakt van de omvang van de erftransformaties in de provincie. Alle erven zijn hiervoor geteld en hebben een stip op de naast staande kaart gekregen . Aan de hand van de 'landbouwmeitellingen'   is vervolgens bepaald of deze erven in agrarisch gebruik zijn.
Op kaart telt Overijssel 26.000 erven. Op dit moment is daarvan nog slechts 35%, een kleine 10.000 erven, in agrarisch gebruik . En, de afname van boerenbedrijven zet zich door. De landbouwexperts van DLG rekenenden ons voor dat minder dan een derde van de huidige agrarische bedrijven een werkelijk toekomstperspectief heeft. De verwachting is, dat er verspreid over Overijssel, uiteindelijk zo'n 3.000 agrarische bedrijven over zullen blijven. Dit zullen deels kleine en zich verbredende boeren zijn, maar het merendeel van de boerenbedrijven zal verder doorgroeien tot grote, moderne agrarische bedrijven.

Burgererven
Met de stop van elk agrarisch bedrijf zet zich een verandering in gang. Veel gestopte boeren blijven zo lang mogelijk op hun erf wonen, want ze verkopen niet graag. Maar met de stop van het bedrijf wordt het stil. Op den duur zal het erf toch vaak een andere functie krijgen. Er gaat familie wonen of het erf wordt doorverkocht, in Overijssel gebeurt dit veelal aan mensen uit de directe omgeving of de streek .
Al de erven waar niet meer geboerd wordt, noemen we - gemakshalve - burgererven. In Overijssel zijn dit er nu zo'n 17.000. Op de kaart is te zien, dat de burgererven overal voorkomen: het overgrote deel van de provincie is een mix van boeren en burgers. Maar er zijn wel regionale en lokale verschillen. In de kop van Overijssel, zoals in de polder Mastenbroek, domineren bijvoorbeeld nog steeds de - donkerbruine - boerenerven, terwijl de randen van de steden, dorpen en natuurgebieden groen kleuren van de burgererven. Hier verdwijnt het agrarische karakter en zijn steeds meer 'burgerlandschappen' aan het ontstaan.

Bedrijvige erven

Erven zijn ideale woon/werkmilieus. Voor het houden van een agrarische bedrijf, maar ook voor vele andere functies. De stallen en schuren, het grote erf en de woonboerderij bieden veel ruimte en vrijheid om te wonen, te hobbyen en te werken. Deze mogelijkheden zijn ontdekt. Rondrijdend door Overijssel zie je overal nieuwe initiatieven opbloeien: de erven lijken onverwachte mogelijkheden te bieden. AtelierOverijsel heeft een eerste aanzet gedaan om - met behulp van de gegevens van de Kamer van Koophandel - al die verschillende nieuwe functies voor de provincie in beeld te brengen. Er blijkt dat op ruim 10% van de erven een niet agrarisch bedrijf is geregistreerd . Een deel van deze bedrijven is verwant aan de landbouw, zoals bijvoorbeeld veevoeder- en loonwerkbedrijven. Daarnaast vallen de grote aantallen aannemers, timmer- en autobedrijven op. Maar ook voor andere sectoren blijken de erven een interessante vestigingslocatie te zijn; recreatie, zorg, dienstverlening en cultuur. Met name in deze sectoren zit groei.

Erftransformaties gaan door...
Aangenomen kan worden dat de transformatie van boerenerven doorgaat de komende jaren.
De ontwikkelingen in de landbouwsector geven daar alle aanleiding toe. Daarnaast leiden recente regelingen, waarin meer bouw- en gebruiksruimte wordt geboden, zoals het VAB beleid, Rood voor Rood, Nieuwe Landgoederen en Reanimatie Agrarisch Erfgoed , tot een nieuwe dynamiek. De ontwikkelruimte die hierin wordt geboden, prikkelt velen tot het doen van een aanvraag. Uit een tussentijdse telling waaraan de helft van de 25 Overijsselse gemeenten mee deed, bleken er ruim 350 aanvragen op de gemeentehuizen te liggen. Als deze steekproef representatief is, gaat het op schaal van de provincie over ruim 700 lopende aanvragen. De aard van deze aanvragen is heel gevarieerd, van de ombouw van een boerenerf tot metaalbedrijf, caravanopslag of woonzorgboerderij tot de wens om er boerderijkamers, meerdere woningen of nieuw landgoed te ontwikkelen. De boerenerven lijken een van de weinige plekken te zijn, waar mensen de ruimte en vrijheid hebben om te ondernemen wat ze graag willen ondernemen.

Aard erftransformaties
Al vanaf de jaren 60 trekken de vrijkomende boerderijen de aandacht van 'excentrieke stedelingen'. Terwijl het wonen voor de 'gewone mensen' nog een noodzaak is en geen liefhebberij en de architecten alleen met nieuwbouw en modern wonen bezig zijn, begint een kleine groep romantici – met een goed gevulde portemonnee - interesse te tonen in het landelijke buitenwonen. Zij kopen vervallen boerderijtjes en knappen die met schrootjes wanden en zitkuilen 'gezellig' op. Deze 'paradijsvogels' creëerden op de voormalige boerenerven hun eigen paradijsje. Ze zochten hier rust en ruimte, en omsloten daarom vaak hun erven met hoge - wintergroene - hagen en hekken. Het was hun niet te doen om het boerenland, de cultuurhistorie, de natuur, of het dorpsleven; het buitenwonen was hun avontuur .

Ruim veertig jaar later is er veel veranderd. Landelijk wonen is een breed verspreid verlangen geworden, dat velen zich - door de sterk toegenomen welvaart - ook kunnen permitteren. Staken de vroege paradijsvogels nog veel tijd in het - zelf - verbouwen van de oude boerderijtjes, nu verlangen de meeste erfbewoners toch naar wat meer gemak en comfort.

'Het Buitenleven is heerlijk!, luidde de kop boven een interview in Kavel & Huis (2001) met de bewoners van een gloednieuwe boerderette. Ze vertellen over hun liefde voor paarden, het gehannes met de welstandscommissie, die de vier ramen in de zuidgevel niet mooi vond. Het huis van rood gemêleerde fabrieksbakstenen heeft opvallend veel schoorstenen, één voor het centrale afzuigsysteem, één voor de hete lucht verwarming, één voor de vloerverwarming en één voor de kachel. En, omdat mevrouw liever met paarden bezig is dan ze poetst, is de ouderwetse roedenverdeling in de ramen schijn: de latten zitten tussen dubbel glas. Dat lapt vlotter.'

De nieuw-gebouwde-van-alle-gemakken-voorzien-boerderij is in enkele decennia volledig ingeburgerd. In 1992 werd het woord 'boerderette' voor het eerst gebruikt door Wim T. Schippers; een jaar later wordt het Platform Architectuur Lokaal opgericht om gemeentes te steunen in hun strijd tegen de witte schimmel en boerderettes; eind jaren 90 is het een veelvuldig terugkerende term in de vakliteratuur. 'De landelijke droom', schrijft Ileen Montijn in 'Naar Buiten!', 'is aan het einde van de eeuw vermenigvuldigd tot een duizendkoppig monster. Echt en net-echt, authentiek, sfeervol en landelijk waren vermengd geraakt tot een cocktail waarin slechts met grote moeite nog verschillen te zien waren.'

Anno 2007 zijn de erftransformaties divers en veranderlijk. De gezellige woonboerderijtjes verborgen achter hoge hagen, worden overvleugeld door een bonte verzameling meer of minder streekeigen boerderettes. Deze worden afgewisseld door erven met maneges, autobedrijven, hoveniers, kampeer- en golfterrreinen en steeds meer kantoortjes, zorgboerderijen en luxe boerderijlodges. Daarnaast zijn de agrarische erven ook niet onveranderlijk, die breiden gestaag uit met steeds weer nieuwe, grotere stallen; koeien zien we daar nauwelijks meer buiten lopen.
Met zoveel veranderingen, kon een vernieuwde interesse in de historie van boerenerven, streekeigen bouwen en landschap niet uitblijven. Tijdschriften als Landleven staan nu vol met informatie over oude boerderijen, moestuinen en erfbeplantingen met de eigentijdse luxe van hoveniersbedrijven en oppasdiensten voor landhuizen. In het buitengebied zijn steeds meer perfect gerestaureerde boerenerven te zien, waar het gras weer tot aan de gevel loopt en authentieke houtwallen worden aangeplant; nu niet om de koeien in te sluiten, maar om het uitzicht op het landschap te garanderen.

Ruimtelijke opgave
De transformatie van boerenerven is het pionierstadium al ver voorbij. Het agrarische cultuurlandschap, verburgerlijkt nu echt. De nieuwe erfbewoners en -gebruikers, hebben hun eigen wensen ten aanzien van het landelijk gebied en laten dat ook steeds meer horen en zien: er wordt geïnvesteerd in de erven, in nieuwe functies, de gebouwen, tuinen en erfbeplantingen. Er is nieuwe ondernemingszin. Nog geen jaar nadat er nieuwe beleidsruimte op de erven wordt geboden, stromen de aanvragen binnen. Allemaal van mensen die iets willen met hun erf. In combinatie met de groeiende aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving, is dit de kans om de erven weer ontwikkelingskernen van het landschap te maken.

Erf als DNA van het landschap

De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze 'eenheid in handelen' ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essen- en kampenlandschappen, broek- en heideontginningen, veenlandschappen, droogmakerijen, etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen.

Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Daarbij heeft de oorspronkelijke 'eenheid in handelen', waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor 'diversiteit in handelen': iedereen doet op zijn erf zijn eigen ding. De erven gaan daardoor steeds meer van elkaar verschillen. Of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erfjes, dicht in de beplantingen en een paardenweide) is buiten - en op luchtfoto's - heel goed te zien.

Wat dit betekent voor de kwaliteit van het landschap, verschilt van gebied tot gebied. In sommige landschappen zijn de erfensembles en landschappelijke beplantingen zo rijkelijk en robuust, dat veranderingen gemakkelijk worden opgenomen. Hier lijkt ook 'goed voorbeeld, doet volgen' van toepassing te zijn: veel mooie voorbeelden in de omgeving brengt mensen op ideeën. Dit ontbreekt in meer schrale, uitgeklede gebieden. Zonder aansprekende voorbeelden, wordt de inspiratie overal vandaan gehaald. Het landschapsbeeld slaat dan al snel om in een losse verzameling van - vast goedbedoelde - maar weinig samenhangende initiatieven.
De erftransformaties vragen daarom om een landschapsgerichte visie; elk gebied biedt andere kansen en soms ook beperkingen. In cultuurhistorisch gave landschappen kan het bijvoorbeeld belangrijk zijn om veel aandacht te besteden aan detailleringen en architectuur, terwijl in uitgeklede landschappen het realiseren van nieuwe stevige erfbeplantingen veel wenselijker is.

De opgave is het eigen oorspronkelijke DNA van de erven, in relatie tot het omliggende landschap, te ontrafelen op zijn karakteristieke principes. Niet om terug te gaan in de tijd, maar om de kwaliteiten en kenmerken opnieuw betekenis te geven. Het is juist nu de vraag hoe de vele burgererven een gebied kunnen verrijken, hoe een autobedrijf, een aannemer of hovenier kwaliteit kan toevoegen en hoe al die maneges en paardenhouders met elkaar nieuwe landschappelijke structuren kunnen gaan vormen. Als de ondernemingszin gekoppeld kan worden aan een vernieuwde eenheid van handelen, kan het landschap van onderop een belangrijke ontwikkelingsimpuls krijgen, waarschijnlijk een van de belangrijkste impulsen in de komende jaren. 

Levende erven!
Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen ; het is waardevoller om te verkennen of deze robuuste erven, door een verruiming van de bouw en programmatische mogelijkheden, een alternatief kunnen bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave. Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een eenmalige kans om unieke, echt Overijsselse woon/werkmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie.

Karen de Groot, AtelierOverijssel, 19 maart 2007


type Essay / ontwerponderzoek
locatie Overijssel
opdrachtgever AtelierOverijssel
datum 2007
publicatie AtelierOverijssel (2007), Levende erven, manifest(atie) over ruimtelijke kwaliteit op erven in verandering.
download > download bestand
verwante projecten AtelierOverijssel. / Ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie Overijssel. / Van Knooperven tot Tuinenrijk. /


Vorige | | Volgende